#

HET VELPSE GASBEDRIJF

Dagelijks reed er een klein stoomtreintje met daarachter een stuk of 10 kiepwagentjes volgeladen met antraciet vanuit Arnhem Velp binnen. Via de rails die aangelegd was evenwijdig aan de spoorlijn Arnhem –Dieren v.v. maar op de Zuider- Parallelweg vond het z'n weg naar de gasfabriek al stoom puffend en fluitend om de mensen zo  te waarschuwen voor zijn komst en nadering. Alle spoorbomen werden dan gesloten behalve die bedoeld waren voor de schuine oversteek naar de Noorder- Parallelweg, die gingen juist open.  

Deze overgang was +/- 25 meter vanaf de spoorwegovergang aan de Ommershofse Laan en niet bedoeld voor het normale verkeer. Eenmaal de oversteek te hebben gemaakt reed het kolentreintje het terrein op van de gasfabriek om de lading daar te lossen waar het bewerkt werd (verhitting)  om zo het gas eraan te onttrekken. Wat overbleef was Cokes, een goede brandstof in de huishoudelijke kachel of fornuis en te koop “per mud” bij de kolenboer. Hoe meer gas er geproduceerd werd hoe hoger de uitschuifbare gashouder waarin het werd opgeslagen om vervolgens naar de Velpse woningen te worden getransporteerd in ondergrondse buizen .  

In ieder huis was een gasmeter geplaatst met een verzegeld geldbakje .  Om gas te verkrijgen moest je daar een zilveren dubbeltje in werpen of een veelvoud daarvan waarna er een eenheid gas beschikbaar was . Ook een halve cent kon gebruikt worden maar werd later verrekend als de  “gasman “ het bakje kwam legen.

Vergelijkbare meters, zoals onderstaande foto's, zullen Velp in de huishoudens gehangen hebben.

 

Met de komst van het aardgas uit Slochteren was de fabriek niet meer nodig en zo verdween er een stukje romantiek en bedrijvigheid uit Velp waar wij, opgroeiende jeugd,  zo graag naar keken vanaf de omheinde stenen muur tussen de fabriek en de Noorder- Parallelweg.  

 

Bron; Gelders Archief.

Bovenop de gashouder was de alarmsirene aangebracht die in heel Velp hoorbaar was. Bij naderend oorlogs- onheil bijv. wanneer soms wel 500 tot 800 vliegtuigen overtrokken om in Duitsland  te gaan bombarderen. De Velpenaren werden zo gewaarschuwd …. ga de redelijk veilige kelder van het huis in!!

Met dank aan de heer A. Aartsen.

HISTORIE EN WERKING IN HET ALGEMEEN

De eerste gasfabriek in Nederland werd in 1826 door een Engels bedrijf in Rotterdam in gebruik genomen. Een jaar eerder werd in Amsterdam al gas geproduceerd uit raapolie. Na vele verbeteringen werden in de tweede helft van de 19e eeuw door heel Nederland gasfabrieken gebouwd die vaak door de gemeente werden beheerd. Ook werden er allerlei manieren gevonden om de afvalproducten van de gasproductie te verwerken tot allerlei producten zoals kunstmest, zwavelzuur en vele organische producten.

Bron; Link; nl.wikipedia.org/wiki/Gasfabriek

De steenkool wordt in de stokerij in gesloten retorten (gietijzeren of keramische cilinders) verhit tot zo’n 1200 graden, waardoor het met onder meer teer, ammonia en zwavelverbindingen vermegde gas vrijkomt. De vloeibare bijproducten worden in verschillende condensatietoestellen opgevangen en in onderaardse kuipen verzameld. Het gehalte ammoniak wordt teruggebracht in de zogenaamde scrubbers – ijzeren torens gevuld met plankjes die voortdurend worden natgehouden. Vervolgens wordt het gas in de zuiveringskisten door een langdurige aanraking met ijzeroxide en kalk van de zwavel ontdaan, waarna het wordt gemeten en in de gashouder wordt opgeslagen, Van daaruit wordt het dorpswaarts gevoerd, nadat door middel van regulateurs de druk is geregeld. Het transport van het gas over het terrein en door de verschillende toestellen geschiedt door middel van de zogenaamde exhausters (zuig- en perspompen) in het machinehuis. Daar bevinden zich ook de stoomketel en de zuiveringstoestellen waarin de laatste sporen van teer worden verwijderd.

Bron; Link; www.bedumer.nl/site/Nieuws-uit-de-gemeente/Vaarwel-gasfabriek-Bedum.html

In een gasfabriek werd uit steenkool een mengsel van koolmonoxide- gas en waterstof geproduceerd (Watergas), dat kon worden gebruikt voor koken, verwarming en gasverlichting. In de jaren zestig werden de gasfabrieken gesloten.Gasfabrieken raakten door twee ontwikkelingen in onbruik. Voor verlichting werd vanaf het begin van de twintigste eeuw overgeschakeld op door elektriciteit gevoede gloeilampen. Na de ontdekking van het aardgasveld bij Slochteren (1959) schakelden Nederland, maar ook andere Europese landen, voor koken en verwarming geleidelijk over op het gebruik van aardgas. Het in een gasfabriek geproduceerde gas werd toen wel "stadsgas" genoemd, om het te onderscheiden van het nieuwe gas.
 

Een aardig overzicht van de historie van een gasfabriek geeft deze site; www.rienslagewaard.nl/Gasfabriek.html

Een gaspenning of gasmunt is een muntje waarmee men tot in de jaren 50 van de 20e eeuw het gasverbruik in vele gemeenten kon betalen. Hiervoor was in de meterkast een speciale meter, een muntmeter, geïnstalleerd, die door de meteropnemer werd geleegd. De munten kocht men uit muntautomaten die in de wijken waren geplaatst door het gemeentelijk gasbedrijf. In Rotterdam werden ze verkocht door waterstokerijen. Het doel van de gaspenningen was te voorkomen dat mensen een te grote betalingsachterstand opliepen bij het gasbedrijf. In tegenstelling tot een verkoopautomaat had een muntmeter geen verfijnde apparatuur om de penning te controleren. Dat was niet nodig: als er valse munten in de meter werden gevonden, wist men wie daarvoor aansprakelijk was.

Bron; Link; nl.wikipedia.org/wiki/Gaspenning

De industrialisatie leidde tot vele nieuwe openbare voorzieningen wereldwijd, en Nederland kon zich daar niet aan onttrekken. Particuliere woningen en bedrijven werden in ras tempo aangesloten op het gasleidingen en electriciteitsleidingennet, waarbij met behulp van een gasmeter de hoeveelheid gebruikt gas danwel electriciteit werd berekend. Door het veelvuldig gebruik van dit nieuwe medium, kwamen heel wat mensen in de betalingsproblematiek terecht: men verbuikte immers meer dan men kon betalen. Zo kwamen er de muntgasmeters: bij inworp van een muntstuk werd een afgepaste hoeveelheid gas danwel electriciteit doorgegeven. Men had 1/3 kubieke meter gas voor 2 1/2 cent.

In 1895 werd in Utrecht de eerste muntgasmeter geïnstalleerd. 5 jaar later waren al 18.000 muntgasmeters geregistreerd in Nederland. In het jaar 1925 blijkt dat er al 340.000 zijn verspreid binnen onze landsgrenzen. Door de Eerste Wereldoorlog en de gevoerde neutraliteitsdpolitiek krijgt Nederland voor het eerst te maken meteen sterke stijging van de gasprijs. Afhankelijk van de gemeente waar men woonachtig was variëren de tarieven tot 16 cent per kubiek metr gas danwel electriciteit. Kwam de man van het gas de muntlade legen, dan moest er achteraf flink bijbetaald worden door de gebruiker.

En zo was het Rotterdam welke in 1920 voor het eerst voorstelt gaspenningen aan te munten, welke alleen per 3 konden worden aangekocht voor een bedrag van 15 1/2 cent. Dit systeem had 2 voordelen: De gebruiker kon zelf berekenen wat hij aan gas gebruikte en kwam dus achteraf niet bij onplezante bijbetalingen te staan. De gemeente in kwestie kon bij prijsstijgingen gewoon de voorverkoopprijs verhogen.

Briljant, en alle gasbedrijven gingen het Rotterdamsch model volgen. De inworpgleuf van de gebruikte apparatuur was 23.5 mm, en dat was dezelfde diameter van het 2 1/2 cent muntstuk. Om te voorkomen dat men maar 2 1/2 cent bleef inwerpen (een gigantische overheidstekort), besloot Rotterdam de gaspenning van een inkeping te voorzien. Deze knip paste precies met het pennetje dat achter de inworpgleuf was aangebracht. Idee was goed, maar men besloot uit huisvlijt de roulerende munten van 2 1/2 cent zelf in te vijlen om de Gemeente hiermee weer op te lichten voor ongeveer 12 tot en met 14 cent.

Kwam de muntambtenaar langs, dan verwijderde deze de eigen huisvlijtstukken en moest de gebruiker zuchtend alsnog het tekort bijbetalen; funest voor hotelhouders... Niet elk bedrijf gaf echter 23 1/2 mm.munten uit. Ook het kwartje en het dubbeltje werd aangemunt als gaspenning, en was je een grootgebruiker van gas of electriciteit, dan waren daar de afwijkende formaten. Het merendeel der gasmunten werd vervaardigd bij de Rijksmunt te Utrecht. Her en der waren ook Duitse gasmeters geïnstalleerd, en deze werkten op penningen met ronde concentrische ringen, welke dan ook uit Duitsland besteld moesten worden. Er werd meer gas dan electriciteit verbruikt, en dat is de oorzaak dat er een overschot aan gasmunten is en een klein aantal electriciteitspenningen is aangemunt. De ronde electriciteitsmunten hebben het formaat van de Gulden, of een afwijkende vorm. Zo heeft het energiebedrijf Wateringen een halve knip en een electriciteitbedrijf uit Arnhem kwam met een vierkant stuivertje als vorm.

Mei 1940. Duitsland bezet Nederland en de munten verdwijnen geleidelijk uit de circulatie. Nieuwe zinken munten vervangen het oud vertrouwde, en voor de gasmuntmeters ontstaan nu zinken gas en electriciteitspenningen ter vervanging van de circulerende messing en aluminium penningen. Alle zinken gasmunten worden naar de nieuwe diameters aangepast. Ontwerper Nico de haas levert het ontwerp aan, waarbij altijd geldt dat het gemeentewapen verschilt. Soest, Winterswijk, de gasmunten werden onderling uitwisselbaar mits de diameter klopte. Gasmunten vertonen nu gestileerde vlammetjes, en electriciteitspenningen hebben bliksemschichten in het ontwerp van Nico de Haas. Tijdens de oorlogsjaren werden 1 1/2 miljoen electriciteitspenningen vervaardigd en 17 1/2 miljoen gaspenningen op last van de autoriteiten. Na de bevrijding blijven de zinken oorlogsexemplaren tot zinkpest toe rouleren, en sommige gemeenten vervangen de onooglijke zinken munten voor messing munten van het identieke Cultuurkamerontwerp. Eind jaren 60 verdwijnen alle muntgasmeters uit het Nederlandse sociale leven.

Bron; Link; munthunter.nl/viewtopic.php

HISTORIE VELPSE GASFABRIEK

 

Bron; Gelders Archief.